Door erop te klikken kunt u van alle foto’s op deze pagina een grotere versie zien.
Voertuigen niet in de collectie.
Van de
Op de tafel in de geschutshoek kunt u een doorsnede van een 25 mm schietbuis van een M113 C&V zien. Die is verwerkt in een kunstwerkje dat aan een geschuthersteller is geschonken bij zijn afscheid. Hier ziet u duidelijk de vorm van deze schietbuis met zijn koelribben.
Ga direct naar de beschrijving van de
Doorsnede schietbuis
Ontwikkeling personeelsvoertuigen.
Tijdens Tweede Wereldoorlog.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond het vervoer van infanteristen naar en op het gevechtsveld voornamelijk plaats met vrachtauto’s, jeeps en andere wielvoertuigen. Of ze reden mee op tanks, zoals op de foto met Britse infanteristen achter op een Sherman tank. Zij waren altijd volledig onbeschermd tegen vijandelijk vuur.
Gepantserde eenheden beschikten over halftracks, of, bij de Britse eenheden, over de Universal Carriers.
Tegen het einde van de oorlog werden er tanks aangepast om infanteristen beter beschermd te vervoeren. De Amerikanen verwijderden de toren van de licht gepantserde M18 Hellcat tankjager en pasten de romp enigszins aan. Zij noemden deze configuratie
Na de Tweede Wereldoorlog.
M44 AUV.
Maar deze pantservoertuigen waren allemaal “open top”, dus gaven nauwelijks bescherming tegen granaatscherven. Al in 1944 begon Amerika op basis van de M18 Hellcat de ontwikkeling van een groot, geheel gesloten gepantserd personeelsvoertuig, het
M75 APC.
Voor het tactisch optreden bleek dit grote aantal onhandig en kwam de vraag naar groepsvoertuigen die acht tot tien infanteristen konden vervoeren. Eind 1945 werd het project M44 gestopt en begon de ontwikkeling van een groepsvoertuig op basis van het loopwerk van de M41 lichte tank. Dit werd de M75 APC. De
M59 APC
Food Machinery Corporation (FMC), die een deel van de M75’s produceerde, ontwikkelde gelijker tijd een lichter en geheel gelast personeelsvoertuig dat ook, naast de bemanning van twee man, tien infanteristen kon vervoeren. Het werd de M59 APC. Deze M59 had minder bepantsering en een lagere maximumsnelheid. Het was het eerste voertuig met een achterklep (ramp) in plaats van deuren, waardoor infanteristen snel konden in- en uitstijgen. Het was goedkoop te produceren en amfibisch, hetgeen zijn voorgangers niet waren.
De M59 had twee GMC-zescilinder benzine lijnmotoren, één links- en één rechts naast de klep achter in de romp. Er gingen twee cardanassen naar voren. Er was een voorziening die ervoor zorgde dat beide motoren evenveel kracht leverden. De gehele aandrijflijn was echter storingsgevoelig en niet snel. Van 1953 tot 1960 werden er ruim 6.000 stuks geproduceerd.
M113 APC
Eind 1950’er jaren ontwikkelde FMC een personeelsvoertuig geheel uit aluminium dat vergelijkbare pantserbescherming bood als zijn stalen voorgangers. Dit werd de M113. Dit voertuig was lichter en eenvoudiger te produceren. In feite was het een verbetering van de M59. In plaats van twee motoren achterin, kreeg het een
De Chrysler-benzinemotor maakte de M113 brandgevaarlijk. Vanaf 1964 werd hij vervangen door een
Verdere ontwikkeling M113-familie
Bij de doorontwikkeling naar de M113A2, waarbij het koelsysteem en de vering werden verbeterd en extra brandstoftanks op de achterzijde, naast de achterklep werden geplaatst, bleef de 6V-53 motor in gebruik. De YPR 765, een van de M113 afgeleid infanterie gevechtsvoertuig, kreeg dezelfde motor maar, vanwege het hogere voertuiggewicht, werd hij voorzien van een turbo waardoor hij ruim 50 pk meer leverde. Die motor werd 6V-53T genoemd. Vanaf 1987 werd deze ook toegepast in de M113 familie die daarmee als M113A3 werd aangeduid.
Van de totale
Gebruik M113-familie door Nederland.
In 1964 schafte Nederland de M113A1 en de M113 C&V aan voor de verkenningseenheden van de Cavalerie. Ook de M577A1 commandopostuitvoering werd aangeschaft. Vanaf eind 1970’er jaren begon de aflossing door de YPR 765, maar verschillende uitvoeringen bleven tot in de 1990’er jaren in gebruik.
De M113A1 was in de basis een personeelsvoertuig, maar kende verschillende uitvoeringen. Er waren bijvoorbeeld vrachtuitvoeringen en gewondentransporters. Ook de pantsergeniecompagnie had een eigen uitvoering.De M106A1 was voorzien van een mortier M30 106,7 mm (4.2 inch) die opgesteld stond op een draaiplateau in het voertuig. Met geopende bovenluiken kon hij onder 360 graden vuur uitbrengen. De mortier kon ook buiten het voertuig worden opgesteld op een grondplaat die op de linker zijkant van de romp werd meegevoerd. Hij kon ook lichtgranaten schieten om het gevechtsveld te verlichten.
De M577A1 voerde een tent met tentbuizen mee die aan de achterzijde van het voertuig kon worden opgesteld en daaraan bevestigd. Zo werd de commandopost vergroot. Bij de artillerie werd hij gebruikt voor het vuurregelcentrum. Een brigadestaf beschikte over vier van deze voertuigen.
Gedurende de levensloop werden er diverse modificaties aangebracht. De grootste verandering betrof de M113 C&V. Oorspronkelijk was hij uitgerust met een Browning M2HB 12,7 mm (0.50 inch) mitrailleur in een M26 koepel als hoofdwapen. Die werd vervangen door een 25 mm
De voertuigen waren zeer betrouwbaar. In tegenstelling tot de AMX-voertuigen, heeft de Technische Dienst er niet veel aan hoeven te doen.
Voor de motor, ga terug naar boven:
Naar bovenTechnische gegevens:
Menu Rupsvoertuigen Niet In Collectie



















Inzien.
Downloaden.