Door erop te klikken kunt u van alle foto’s op deze pagina een grotere versie zien.
Ontwikkeling van de motor.
General Motors begon in 1934 een tweetakt dieselmotor te ontwikkelen voor gebruik in de transportindustrie. In 1938 werd de eerste zescilinder lijnuitvoering daarvan in een bus geplaatst. De motor had per cilinder een slagvolume van 71 kubieke inch,
Van deze 71-serie ontwikkelden zij daarna motoren met 1, 2, 3 of 4 cilinders in lijn en later ook 6, 8 en 12-cilinders in V. Deze gebruikten allemaal dezelfde basisonderdelen als zuigers, drijfstangen en cilindervoeringen. Voor de V-motoren werden de koppen van de lijnmotoren gebruikt.
General Motors produceerde dieselmotoren in verschillende fabrieken. Omdat de
In 1957 ontwikkelde Detroit Diesel een kleinere versie met 53 kubieke inch slagvolume per cilinder. In 1967 kwam daar een 149 kubieke inch-serie bij en in 1974 volgde de
Beschrijving van de motor.
Principewerking van een tweetakt dieselmotor.
De Detroit Diesel is tweetakt, maar zuigt de lucht niet aan via het carter. In de cilinderwand bevinden zich inlaatopeningen die vrijkomen als de zuiger in de onderstand komt. Omdat hij zo geen lucht kan aanzuigen, wordt die ingeblazen door een mechanisch aangedreven blower. Als de zuiger de bovenste stand bereikt, volgt inspuiting van de brandstof die na zelfontbranding de zuiger naar beneden duwt. Tijdens de neerwaartse slag, openen de twee uitlaatkleppen zodat de verbrande gassen de cilinder kunnen verlaten en er nieuwe lucht ingeblazen kan worden.
De blower van de
Omdat hierbij nauwelijks overdruk ontstaat, worden deze motoren als “natuurlijk aanzuigend” beschouwd. Door vóór de blower een turbo te plaatsen, kan de inlaatdruk worden verhoogd en meer vermogen uit dezelfde motor gehaald worden, zoals bij de motor van de YPR 765
Bij de
De Detroit Diesel heeft geen brandstofinspuitpomp. Iedere cilinder heeft een injector die door de nokkenas wordt bediend. Het gaspedaal bedient een stangenstelsel, het zogenaamde injection rack, dat de opbrengst van de injectors regelt. Dit moet heel nauwkeurig worden afgesteld zodat iedere cilinder dezelfde hoeveelheid brandstof ontvangt.
Deze motoren hadden de neiging om bij stationair draaien te “galopperen”. Dit kon worden weggesteld in de mechanische toerenregelaar die achter boven op de motor zat. Bij iets te ver draaien kon de regelaar in vol geopende stand vastslaan en het toerental onbegrensd oplopen totdat de motor uit elkaar spatte. Dit kon dan alleen nog worden voorkomen door met een plank de luchtinlaat af te sluiten of heel snel het brandstoffilter los te draaien waardoor er geen brandstof meer bij de injectors kwam.
Een tweetaktmotor heeft bij iedere omwenteling een arbeidsslag tegenover iedere twee omwentelingen bij een viertaktmotor. Ze hebben daarom relatief veel vermogen en een voor die tijd gunstig brandstofverbruik. Omdat ze niet aan de moderne milieueisen kunnen voldoen, is midden 1990’er jaren de productie voor civiel gebruik gestopt.
De
In de M113A1 en -A2 is deze motor via een tussenbak gekoppeld aan een
Gebruik door Nederland.
In 1964 schafte Nederland de M113A1 en de M113 C&V aan voor de verkenningseenheden van de Cavalerie. Ook de M577A1 commandopostuitvoering werd aangeschaft. Deze werd o.a. gebruikt door de brigadestaven en het vuurregelcentrum van de Artillerie. De Genie kreeg een eigen uitvoering van de M113A1. Vanaf eind 1970’er jaren begon de aflossing door de YPR 765, maar verschillende uitvoeringen bleven tot in de 1990’er jaren in gebruik.
Technische gegevens:
Voor informatie over de M113-voertuigen:
M113-voertuigen
Of zie meer tankmotoren:
Menu Tankmotoren













Inzien.
Downloaden.