Detroit Diesel 6V-53
in RTT-museum
M113A1
M113 C&V
Ontwikkeling personeelsvoertuigen.
Tijdens Tweede Wereldoorlog.
Britse infanterie 1944
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond het vervoer van infanteristen naar en op het gevechtsveld voornamelijk plaats met vrachtauto’s, jeeps en andere wielvoertuigen. Of ze reden mee op tanks, zoals op de foto met Britse infanteristen achter op een Sherman tank. Zij waren altijd volledig onbeschermd tegen vijandelijk vuur.
Gepantserde eenheden beschikten over halftracks, of, bij de Britse eenheden, over de Universal Carriers.
Tegen het einde van de oorlog werden er tanks aangepast om infanteristen beter beschermd te vervoeren. De Amerikanen verwijderden de toren van de licht gepantserde M18 Hellcat tankjager en pasten de romp enigszins aan. Zij noemden deze configuratie
Klik op de afbeelding voor grotere weergave.
Na de Tweede Wereldoorlog.
M44 AUV.
Maar deze pantservoertuigen waren allemaal “open top”, dus gaven nauwelijks bescherming tegen granaatscherven. Al in 1944 begon Amerika op basis van de M18 Hellcat de ontwikkeling van een groot, geheel gesloten gepantserd personeelsvoertuig, het
M75 APC.
Voor het tactisch optreden bleek dit onhandig en kwam de vraag naar groepsvoertuigen die acht tot tien infanteristen konden vervoeren. Eind 1945 werd het project M44 gestopt en begon de ontwikkeling van een groepsvoertuig op basis van het loopwerk van de M41 lichte tank. Dit werd de M75 APC. De
M59 APC
Food Machinery Corporation (FMC), die een deel van de M75’s produceerde, ontwikkelde gelijker tijd een lichter en geheel gelast personeelsvoertuig dat ook, naast de bemanning van twee man, tien infanteristen kon vervoeren. Het werd de M59 APC. Deze M59 had minder bepantsering en een lagere maximumsnelheid. Het was het eerste voertuig met een achterklep (ramp) in plaats van deuren, waardoor infanteristen snel konden in- en uitstijgen. Het was goedkoop te produceren en amfibisch, hetgeen zijn voorgangers niet waren.
De M59 had twee GMC-zescilinder benzine lijnmotoren, één links- en één rechtsachter in de romp. Er gingen twee cardanassen naar voren. Er was een voorziening die ervoor zorgde dat beide motoren evenveel kracht leverden. De gehele aandrijflijn was echter storingsgevoelig en niet snel. Van 1953 tot 1960 werden er ruim 6.000 stuks geproduceerd.
M113 APC
Eind 1950’er jaren ontwikkelde FMC een personeelsvoertuig geheel uit aluminium dat vergelijkbare pantserbescherming bood als zijn stalen voorgangers. Dit werd de M113. Dit voertuig was lichter en eenvoudiger te produceren. In feite was het een verbetering van de M59. In plaats van twee motoren achterin, kreeg het een
De Chrysler-benzinemotor maakte de M113 brandgevaarlijk. Vanaf 1964 werd hij vervangen door een
Vervolg M113-familie
Bij de doorontwikkeling naar de M113A2, waarbij het koelsysteem en de vering werden verbeterd en de brandstoftanks op de achterzijde, naast de achterklep werden geplaatst, bleef de 6V-53 motor in gebruik. De YPR 765, een van de M113 afgeleid infanterie gevechtsvoertuig dat Nederland eind 1970’er jaren aanschafte, kreeg dezelfde motor maar dan met turbo waardoor hij ruim 50 pk meer leverde. Die motor werd 6V-53T genoemd. Vanaf 1987 werd hij ook toegepast in de M113 familie die daarmee als M113A3 werd aangeduid. Van de totale
Ontwikkeling van de motor.
General Motors bouwde in 1933 de eerste twee tweetakt dieselmotoren voor de generators van hun stand op de Chicago
Van deze motor ontwikkelden zij daarna uitvoering met 1, 2, 3 of 4 cilinders die dezelfde basisonderdelen als zuigers, drijfstangen, cilindervoeringen etc. gebruikten. Die werden toegepast in vrachtauto’s, tanks, landingsvaartuigen en als stationair motor. In tanks als de
General Motors produceerde dieselmotoren in drie fabrieken: 15 tot 250 pk motoren in Detroit, Michigan, 150 tot 2.000 pk motoren in Cleveland, Ohio en motoren voor locomotieven in La Grange, Illinois. Omdat de
Voor bouw- en landbouwmachines en militaire toepassingen, ontwikkelde Detroit Diesel in 1957 een kleinere versie met 53 kubieke inch slagvolume per cilinder. In 1967 kwam daar een 149 kubieke inch-serie bij die werd toegepast in de scheepsbouw en zware industrie. In 1974 volgde de
Beschrijving van de motor.
Principewerking van een tweetakt dieselmotor.
De Detroit Diesel is tweetakt, maar in tegenstelling tot wat hierbij gebruikelijk is, wordt de lucht niet door de zuiger via het carter aangezogen. In de cilinderwand bevindt zich een ring met achttien inlaatopeningen die vrijkomen als de zuiger in de onderstand komt. Omdat hij zo geen lucht kan aanzuigen, wordt die ingeblazen door een mechanisch aangedreven blower, een zogenaamde “super charger”. Als de zuiger de bovenste stand bereikt, volgt inspuiting van de brandstof die na zelfontbranding de zuiger naar beneden duwt. Tijdens de slag naar beneden, openen de twee uitlaatkleppen zodat de verbrande gassen de cilinder kunnen verlaten en er nieuwe lucht ingeblazen kan worden. Onderin aangekomen, herhaalt zich het proces.
Principe van een Roots-blower.
1 en 3: Lobben.
2 Blowerhuis.
a: Inlaat.
b: Kamer.
c: Uitlaat.
De blower van de
Omdat er zo nauwelijks overdruk ontstaat, worden deze motoren als “natuurlijk aanzuigend” beschouwd. Door vóór de blower een turbo te plaatsen, kan de inlaatdruk worden verhoogd en meer vermogen uit dezelfde motor gehaald worden. Dit is het geval bij onder andere de motor van de YPR 765 die daarmee ongeveer 50 pk meer levert.
Bij de Detroit Diesel
De Detroit Diesel heeft geen brandstofinspuitpomp. Iedere cilinder heeft een injector die door de nokkenas wordt bediend. Het gaspedaal bedient een stangenstelsel, het zogenaamde injection rack, dat de opbrengst van de injectors regelt. Dit moet heel nauwkeurig worden afgesteld zodat iedere cilinder dezelfde hoeveelheid brandstof ontvangt.
Deze motoren hadden de neiging om te “galopperen”. Dat is, dat bij stationair draaien, het toerental steeds met regelmaat kort oploopt en weer zakt. Dit kon worden weggesteld in de mechanische toerenregelaar die achter boven op de motor was aangebracht. Iets te ver draaien had echter tot gevolg dat de regelaar in vol geopende stand vastsloeg en het toerental onbegrensd opliep totdat de motor uit elkaar spatte. Dit kon dan alleen nog worden voorkomen door met een plank de luchtinlaatopening af te sluiten of heel snel het brandstoffilter los te draaien waardoor er geen brandstof meer bij de injectors kwam.
Een tweetaktmotor heeft bij iedere omwenteling een arbeidsslag tegenover iedere twee omwentelingen bij een viertaktmotor. Ze hadden daarom relatief veel vermogen en een voor die tijd gunstig brandstofverbruik. Omdat ze niet aan de moderne milieueisen kunnen voldoen, is midden 1990’er jaren de productie voor civiel gebruik gestopt.
De
Klik op de afbeeldingen voor grotere weergave.
In de M113A1 en -A2 is deze motor via een tussenbak gekoppeld aan een
Gebruik door Nederland.
In 1964 schafte Nederland de M113A1 en de M113 C&V aan voor de verkenningseenheden van de Cavalerie. Ook de M577 Commando-uitvoering werd aangeschaft. Deze werd o.a. gebruikt door de brigadestaven en het vuurregelcentrum van de Artillerie. De Genie kreeg een eigen uitvoering van de M113A1. Vanaf eind 1970’er jaren begon de aflossing door de YPR 765, maar verschillende uitvoeringen bleven tot in de 1990’er jaren in gebruik.
Technische gegevens:
Terug naar Menu Motoren

















Inzien.
Downloaden.