Door erop te klikken kunt u van alle foto’s op deze pagina een grotere versie zien.
De smid en de Technische Dienst.
Van oudsher was voor een leger de smid een belangrijke man. Hij moest de wapens maken en onderhouden, zoals de zwaarden en hellebaarden. Hij werd dan ook wel zwaardveger genoemd. Maar hij maakte en onderhield ook de helmen en harnassen, dus hij moest ook kunnen plaatwerken. Later moest hij ook de vuurwapens kunnen repareren.
Zelfs tot in de Tweede Wereldoorlog was dit het geval, getuige het verslag in de Militaire Spectator van september 1947 over de gevechten om het bruggenhoofd Moerdijk, dat Duitse parachutisten op
De ambachtslieden als smid en timmerman, vaak burgers, trokken met de gevechtseenheden mee. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen er door de toenemende complexietijd van de uitrusting meer soorten gereedschappen en machines nodig waren, werden er technische eenheden geformeerd die met hun mobiele werkplaatsen meerdere gevechtseenheden bedienden. Iedere brigade kreeg een hulpdetachement of een zelfstandig werkplaatsdetachement toegevoegd. Zo kreeg de uit Nederlanders bestaande infanteriebrigade die in Engeland was opgericht, op 20 maart 1941 een Light Aid Detachment toegevoegd. Dat was de eerste Nederlandse eenheid die geheel uit technisch personeel bestond. Daarom wordt die datum gezien als oprichtingsdatum van het Regiment Technische Troepen.
Na de oorlog werden er in Nederland werkplaatsen van de Technische Dienst opgericht die allemaal hun afdeling hadden voor smeden, lassen, etc. Smeden van de oude stempel, van voor de oorlog, kregen een herscholing en hoefsmeden werden omgeschoold tot smid-bankwerker. Zie de mededeling daarover van de “Wapendirecteuren” in dezelfde Militaire Spectator.
Bij de brigadeherstelcompagnieën was een hulpwerkplaatspeloton ingedeeld. De herstelpelotons sleutelden, de hulpwerkplaats deed de algemene reparaties als smeden, lassen, plaatwerken, timmeren en zeilen maken.
De smederij.
Delen van de smidse in onze tentoonstelling zijn afkomstig uit de Kromhoutkazerne in Utrecht. Wat we nu kennen als Technische Dienst heeft na de Tweede Wereldoorlog kort de naam REME gedragen, van de Engelse Royal Electrical and Mechanical Engineers waar ons regiment uit voortgekomen is. Al snel werd dat RIMI, wat stond voor Reparatie Inrichting Materieel Inspectie. Daar zaten nog de klanken van de REME in. Pas in de 1950’er jaren werd het de Technische Dienst.
De RIMI moest na de oorlog veel technisch personeel opleiden. Niet alleen was de uitrusting technisch gecompliceerder geworden, maar ook zouden er veel troepen worden uitgezonden naar Nederlands
Elke smederij is anders ingericht, maar een aantal dingen zijn essentieel voor het werk van de ambachtelijke smid: een vuur om het metaal te verwarmen zodat het “kneedbaar” wordt, hamer en aambeeld om het metaal te vormen en tangen om het hete werkstuk vast te kunnen pakken.
Smidsvuur
In de basis bestaat een smidsvuur altijd uit een plaat of bak met kolen of houtskool en een voorziening om lucht toe te voeren waardoor het vuur opgloeit en extra warmte in het metaal brengt. Men kent dit wel van het blazen in de barbecue. Dat kon een losse blaasbalg zijn, of een vaste die met de hand of de voet bediend werd. Of een mechanische blazer of ventilator die elektrisch of met de hand of voet aangedreven werd.
Het smidsvuur in de tentoonstelling is voorzien van een met de hand aangedreven blazer. In ons depot bevindt zich nog een smidsvuur met een blazer die met de voet aangedreven wordt.
Aambeeld.
Een aambeeld is een zwaar blok gietstaal of gesmeed staal waarvan het werkvlak gehard is en wordt gebruikt als ondersteuning van het metaal dat men met een hamer wil bewerken. Het is zo hard dat, als men er een gehard stalen kogel op laat vallen, die terug kan stuiteren tot wel 90% van zijn valhoogte. Dit noemt men de “rebound”, waarbij 75% tot 85% al als kwalitatief goed wordt beschouwd.
Het aambeeld staat gewoonlijk op een houten blok, meestal van kops eiken- of iepenhout. Om de hinderlijke klank van hamer op aambeeld te dempen, wordt er vaak een ketting om het aambeeld gewikkeld.
Bijna alle aambeelden lijken op elkaar, maar er zijn wel detailverschillen. Zo hebben zij altijd een vlakke bovenkant als werkvlak, meestal met een gat erin, het zo genaamde
Tassen.
In het
Er zijn aambeelden in veel formaten. Zo zal een zilversmid een klein aambeeldje van hooguit een paar kilo gebruiken, terwijl het aambeeld van de boerensmid wel 200 tot 400 kilo kan wegen. Het aambeeld in de tentoonstelling is gemaakt door de firma
Hamers.
Ook de hamers zijn aangepast op het werk. Een zilversmid zal niet met een voorhamer werken en een hoefsmid heeft ook zo zijn eigen hamervorm. Zie enkele voorbeelden.
Tangen.
Omdat het werkstuk van een smid meestal heet is (koudsmeden is ook een metaalbewerkingsvorm), heeft de smid altijd grote en lange tangen om zijn werkstuk stevig te kunnen vastpakken zonder zijn handen te verbranden. Die tangen zijn in standaardvormen te koop, maar de smid zal vaak zijn eigen tangen smeden die aangepast zijn op het werk dat hij ermee moet doen. Zie een paar voorbeelden op de afbeelding.
Gatenplaat of perforatieblok.
De gatenplaat die naast de smid op een onderstel ligt, gebruikt hij hier om zijn tassen en hamer op te bergen. Normaal wordt hij gebruikt voor het buigen van profielen of het smeden van vormen. Om een profiel te buigen wordt het in een overeenkomstig gat gestoken en dan gebogen. Om een vorm te smeden gebruikt de smid de zijkanten van deze plaat waar hij verschillende afmetingen rond of vierkant kan kiezen. Zie een voorbeeld van het gebruik op de foto.
Machinaal smeden.
In de grotere smederijen in de basiswerkplaatsen werd ook wel gesmeed met een hydraulische of pneumatische smeedhamer. Hierbij werd de hamer met de druk van olie of lucht omhoog gebracht. Het vallen kon ook door druk ondersteund worden. Dit regelde de smid met een voetpedaal. Zo’n machine verving aambeeld en hamer.
Terug naar:
Menu Werkplaatsuitrusting
































